Emmalotte Smit Esther Mollema

Ook dit jaar reisden we weer af naar Helsinki voor het Nordic Business Forum. Zo’n megaconferentie blijft een bijzondere ervaring. Zeker in Finland, waar het publiek het hardst leek te lachen om grappen over hoe verschrikkelijk Finnen smalltalk vinden. Tegelijkertijd bleek het thema van dit jaar, The Human Edge in tijden van AI, juist heel goed aan te slaan. Op een gegeven moment kreeg een spreker zelfs 8.500 mensen zover om samen meerstemmig te zingen.

We moesten ook lachen om de speciale hoek voor ‘extreme introverts’. Die was dit jaar omgedoopt tot de hoek voor ‘extreme extroverts’, zodat ook zij ergens terechtkonden in Finland, het land waar niemand op smalltalk zit te wachten.

 

 

We schreven onze belangrijkste inzichten voor jullie op. Dingen waar we zelf over bleven nadenken en waar jullie hopelijk ook iets aan hebben. Hier komen ze:

1. De toekomst vraagt om meer dan kennis. Menselijke kwaliteiten worden steeds belangrijker

Als de gebroeders Wright aan Claude hadden gevraagd of ze iets konden bouwen waarmee mensen konden vliegen, had Claude waarschijnlijk nee gezegd. En als Nando Parrado, overlevende van de vliegtuigramp in de Andes, had gevraagd of hij en zijn medepassagiers konden overleven, waren ze waarschijnlijk al afgeschreven. Toch overleefden ze. Mensen zijn in staat dingen te doen die op basis van bestaande kennis onwaarschijnlijk lijken. In een innovatie-economie worden menselijke kwaliteiten als creativiteit, nieuwsgierigheid, moed en compassie daarom alleen maar belangrijker.

2. De makkelijke dingen zijn ook makkelijk om niet te doen

Grote cultuurprogramma’s krijgen veel aandacht, maar juist kleine gedragingen maken een organisatie merkbaar anders. Steven Bartlett, bekend van The Diary of a CEO, vertelde bijvoorbeeld hoe bewust hij aandacht besteedt aan kleine dingen als de geur, muziek en sfeer in zijn podcaststudio. Hij ziet daar zelfs een concurrentievoordeel in: als gasten zich nét iets meer op hun gemak voelen, ontstaan er betere gesprekken. Het zijn precies die dingen die makkelijk zijn om te doen, maar daardoor ook makkelijk worden vergeten.

3. AI automatiseert niet alleen werk, maar ook manieren van denken. En dat kan inclusief denken in de weg zitten

Technologie is zelden neutraal. De tools die we gebruiken, beïnvloeden wat we belangrijk vinden en welk gedrag normaal wordt. Als een AI-tool meteen aanbiedt om ieder lang document samen te vatten, leren we onszelf misschien ook af om nog rustig en aandachtig te lezen. Hetzelfde geldt voor ideeën. Als een chatbot ons één antwoord geeft en we het daarbij laten, terwijl we tegelijkertijd zeggen dat verschillende perspectieven belangrijk zijn, ontstaat er een interessante tegenstelling. De vraag is dus niet alleen wat AI voor ons kan doen, maar ook: welk gedrag willen we ermee versterken?

Lees het volledige artikel dat Emmalotte schreef over de implementatie van AI.

4. Uiteindelijk willen mensen vooral gezien worden

Misschien kwam de meest menselijke boodschap van de conferentie wel van Oprah Winfrey. Of ze nu Beyoncé, Barack Obama of een veroordeelde moordenaar interviewde, na afloop kreeg ze vaak dezelfde vraag: Hoe deed ik het? Is wat ik zei overgekomen? Die behoefte aan erkenning is verrassend universeel. Juist in de onzekere tijden waarin we leven, hebben we elkaar nodig.

5. Met AI wordt de keuze scherper: efficiëntie of menselijke ervaring

AI maakt het mogelijk om steeds meer onnodige stappen en obstakels uit processen te halen. Maar niet alles wat efficiënter kan, hoeft ook efficiënter. Organisaties zullen bewuster moeten kiezen waar technologie het werk sneller en makkelijker moet maken, en waar juist menselijk contact, aandacht en persoonlijke ervaringen het verschil maken.

 
AI andere weg Esther Mollema

 

7 vragen voordat je AI verder integreert in je organisatie

 

  1. Waar optimaliseren we werkelijk voor?
    Gaat dit alleen over snelheid en kosten, of ook over kwaliteit, verbinding, creativiteit, leren en ruimte om goed na te denken?
  2. Welk gedrag maakt deze technologie waarschijnlijker?
    Gaan mensen meer onderzoeken of sneller accepteren? Meer samenwerken of minder? Meer nadenken of vooral meer produceren?
  3. Welke menselijke interactie verdwijnt?
    En was die interactie werkelijk overbodig, of leverde ze ook vertrouwen, kennisoverdracht en verbinding op?
  4. Welke impliciete kennis zit nu nog in mensen?
    Wat zien (ervaren) werknemers dat niet in de systemen staat? Wanneer vertragen ze? Waar gebruiken zij ervaring, intuïtie en de ongeschreven normen van de organisatie?
  5. Hoe leren mensen dit vak nog?
    Als AI het juniorwerk overneemt, hoe ontwikkelen toekomstige experts dan hun oordeel?
  6. Vergroot AI onze diversiteit van denken of verkleint ze die?
    Gebruiken we AI om verschillende perspectieven, tegenargumenten en blindspots zichtbaar te maken?
  7. Past deze toepassing bij wie we zeggen dat we willen zijn?
    Als verbinding, vakmanschap, aandacht voor mensen en diversiteit onderdeel zijn van je missie, hoe helpt deze toepassing dan om die waarden te versterken in plaats van ze ongemerkt af te breken?

 

Dit artikel is geschreven door Emmalotte Smit en bundelt inzichten uit conferenties, onderzoek en artikelen over AI en de invloed daarvan op organisatiecultuur en teamwerk. We zien die kijk nadrukkelijk als een work in progress. Nieuwe inzichten kunnen ervoor zorgen dat we onderdelen aanscherpen, aanvullen of anders gaan bekijken. Heb je een reactie, aanvulling of een perspectief dat volgens jou in dit artikel thuishoort? Mail Emmalotte dan via emmalotte@dir.nl.

AI is geobsedeerd door efficiëntie. Sneller schrijven, sneller analyseren, sneller zoeken, sneller plannen. En dat maakt de technologie natuurlijk zo aantrekkelijk. Taken waar werknemers vroeger uren aan kwijt waren, kunnen ineens in minuten. Toch is er een vraag die organisaties vóór de efficiëntievraag zouden moeten stellen: wat zijn we eigenlijk aan het optimaliseren, en wat verliezen we misschien onderweg?

Want zodra AI onderdeel wordt van hoe mensen binnen jouw organisatie werken, automatiseer je niet alleen taken. Je automatiseert ook ideeën over wat goed werk is. Over wat productief gedrag is, welke kennis ertoe doet, hoe snel iets moet gaan en welke rol mensen nog in het proces hebben. Precies daarom is AI niet alleen een technologisch vraagstuk, maar ook een cultuurvraagstuk.

 

Waar optimaliseren we eigenlijk voor?

 

Digitaal antropoloog Rahaf Harfoush legde tijdens het Nordic Business Forum uit dat veel van onze huidige ideeën over productiviteit helemaal niet zo neutraal zijn als we denken. Het idee dat productiviteit zichtbaar moet zijn, dat er aan het einde van een uur iets geproduceerd moet zijn wat je kunt aanwijzen, komt voort uit het industriële tijdperk waarin arbeid relatief eenvoudig aan output te koppelen was. In een fabriek was die relatie duidelijk: meer geproduceerde eenheden betekenden meer productie.

In kennisorganisaties werkt dat heel anders. Wie een ingewikkeld probleem voor een klant probeert op te lossen, kan een uur bezig zijn zonder één mail te versturen. Wie een strategische beslissing voorbereidt, moet mogelijkheden afwegen, patronen herkennen, scenario’s verkennen, informatie verbinden en soms vooral een tijdje met een probleem rondlopen. Juist in zo’n uur kan iemand het meest waardevolle werk van de week doen.

Dat maakt de komst van AI interessant. Want als we niet oppassen, gebruiken we een nieuwe technologie om een oud beeld van productiviteit nog verder op te voeren. AI bespaart tijd, maar die tijd wordt vervolgens onmiddellijk weer gevuld met extra vergaderingen, meer taken en meer output. Dan zijn we sneller geworden, maar niet noodzakelijk beter gaan werken.

Harfoush waarschuwt juist voor het verlies van deep thinking: de tijd waarin mensen een probleem laten bezinken, verschillende opties verkennen en verbanden leggen voordat ze handelen. Dat vermogen staat nu al onder druk door de enorme hoeveelheid informatie die we dagelijks verwerken. We consumeren steeds meer, maar nemen minder tijd om te reflecteren en er betekenis aan te geven. Juist onder stress en voortdurende prikkels neemt ons vermogen om goed na te denken af. Meer informatie betekent dus niet automatisch meer inzicht.

De vraag is daarom niet alleen hoeveel tijd AI bespaart, maar vooral wat we met die tijd doen. Ruimte voor reflectie, herstel en geconcentreerd denkwerk helpt mensen om expertise op te bouwen en complexe vraagstukken echt te doorgronden. Ook dagdromen en verveling kunnen daarbij waardevol zijn, omdat juist in die momenten ruimte ontstaat voor creativiteit en nieuwe inzichten. Als we iedere vrijgekomen minuut opnieuw volplannen, blijft de oude norm overeind: zichtbaar bezig zijn is hetzelfde als waarde toevoegen. Lange werkdagen, tientallen mails en onafgebroken meetings ogen dan productief, terwijl juist de ruimte ontbreekt waarin mensen tot beter denkwerk komen.

Je kunt je zelfs afvragen of werknemers dan vooral productiviteit gaan presteren. Lange werkdagen, tientallen mails en onafgebroken meetings ogen productief, terwijl juist de tijd ontbreekt waarin mensen expertise ontwikkelen, patronen herkennen en complexe vraagstukken werkelijk doorgronden.

Daarmee komen we ook bij een subtielere cultuurvraag. Welke boodschap geef je werknemers als in iedere mail een Copilot-knop verschijnt waarmee AI de tekst kan herschrijven? Kan ieder document automatisch worden samengevat? Dat is natuurlijk handig, maar het normaliseert ook bepaald gedrag. Je zegt impliciet: besteed hier liever niet te veel tijd aan. Lees niet alles. Formuleer niet te lang. Ga door. Het probleem is niet dat iemand ooit een mail met AI laat herschrijven. Het probleem ontstaat wanneer alle digitale signalen in een organisatie dezelfde norm versterken: sneller is beter.

De interessante vraag wordt dan: welke gedragsnorm promoot deze tool eigenlijk? Als een organisatie zegt dat vakmanschap, aandacht en nieuwsgierigheid belangrijke waarden zijn, maar haar systemen werknemers voortdurend richting snelheid en oppervlakkige output sturen, wint uiteindelijk het dagelijkse gedrag het van de organisatiewaarden. Harfoush geeft hiervoor als oplossing dat je in je performance management expliciet kunt opnemen dat je verwacht dat werknemers bijvoorbeeld 15% van hun tijd gebruiken voor deep thinking. Dan maak je zichtbaar dat echt goed nadenken ook productiviteit is.

 

Wat gebeurt er met de verbinding als AI het werk overneemt?

 

Dat brengt ons bij een tweede risico van AI: we kunnen in onze zoektocht naar efficiëntie ook menselijke verbinding optimaliseren. Veel dingen die vanuit een proces inefficiënt lijken, zijn sociaal juist buitengewoon waardevol. Even naar een collega lopen met een vraag. Samen puzzelen over een probleem. Iemand bellen omdat je weet dat diegene ergens veel vanaf weet. Na een vergadering blijven er nog vijf minuten hangen. Vanuit een strak procesmodel zijn dat allemaal vormen van frictie. Maar zoals Harfoush het formuleert: organisaties proberen frictie te verwijderen, terwijl menselijke gemeenschappen juist voor een deel op frictie draaien.

Dat is belangrijk omdat mensen voortdurend signalen oppikken over de vraag of ze ertoe doen. Vraagt iemand jouw mening? Komt iemand naar jou toe voor advies? Merkt iemand dat je ergens meezit? Wordt jouw expertise gezien? Dat lijken kleine dingen, maar het zijn precies de momenten waaruit mensen afleiden of ze erbij horen en van waarde zijn.

AI kan veel van die momenten vervangen. Als werknemers iedere vraag voortaan aan een chatbot stellen in plaats van aan een collega, verdwijnt niet alleen een inefficiënte handeling. Er verdwijnt ook een contactmoment. Uit Workday-onderzoek gepubliceerd in The Fast Company blijkt dat 43% van de werknemers aangeeft zich meer zorgen te maken dat AI de interactie met collega’s vermindert dan dat AI hun baan volledig wegneemt. Tegelijk rapporteert een aanzienlijk deel van de werknemers nu al nauwelijks gesprekken met collega’s te voeren die verder gaan dan transactionele werktaken.

Juist daarom moet je bij AI-implementatie niet alleen vragen welk werk kan verdwijnen, maar ook welke menselijke interactie daarmee verdwijnt. In ons boek Micromomenten schreven we al over het verdwijnen van de menselijke schakel bij helpdesks. Vanuit efficiëntie zijn die een logische kandidaat voor automatisering: veel herhalende vragen, veel tijd en hoge kosten. Maar het is óók precies het moment waarop iemand vastloopt en hulp nodig heeft. En dat geldt niet alleen voor je klanten, maar ook voor je werknemers. Een werknemer die vroeger een IT-collega belde met een vraag, krijgt nu misschien binnen drie seconden een antwoord van AI. Dat is sneller, maar het betekent ook dat mensen elkaar minder vaak nodig hebben. En dat raakt uiteindelijk aan iets fundamenteels: het gevoel dat je van nut bent en iets voor een ander kunt betekenen.

Dat sluit aan bij de waarschuwing die computerwetenschapper Roman Yampolskiy koppelt aan het concept ikigai: als machines steeds meer activiteiten efficiënter kunnen uitvoeren, moeten we oppassen dat mensen niet ook het gevoel verliezen dat zij ergens voor nodig zijn. Dat is geen argument tegen AI, maar wel een argument om bewust te blijven nadenken over wat je wél menselijk wilt houden.

Tegelijkertijd hoeft AI-verbinding helemaal niet te verzwakken. Dezelfde technologie kan juist worden ingezet om de verbinding te versterken. Een agenda-assistent kan je week zo vol mogelijk plannen, maar hij kan ook deep thinking tijd beschermen, ruimte voor herstel reserveren en bewust ontmoetingen organiseren met collega’s die je normaal nauwelijks of nooit zou spreken. AI kan mensen uit verschillende functies met elkaar verbinden of kennis en talent zichtbaar maken die anders in silo’s blijven zitten. Het verschil zit dus niet in de technologie zelf, maar in waar je haar op laat optimaliseren.

 

Laat je AI je missie versterken of bepalen wat belangrijk wordt?

 

Daarmee komen we bij een derde punt. In de huidige AI-race dreigen organisaties soms te vergeten waar technologie eigenlijk voor dient. Jarenlang hebben organisaties missies, waarden en strategieën opgebouwd. Maar zodra er een nieuwe AI-toepassing verschijnt, lijkt de vraag ineens te worden: waar kunnen we dit nog meer inzetten? Dat is een vreemde omkering. De missie zou de technologie moeten sturen, niet andersom.

Harfoush waarschuwt precies voor die FOMO-dynamiek. Als vrijgekomen tijd alleen maar wordt gebruikt voor meer drukte, meer vergaderingen en meer output, zonder dat er extra ruimte ontstaat om klanten beter te begrijpen, de markt te doorgronden of de missie beter uit te voeren, dan is snelheid het doel geworden in plaats van een middel.

Dat is extra relevant voor organisaties die diversiteit van perspectieven belangrijk vinden. Veel organisaties hebben de afgelopen jaren bewust geprobeerd om meer verschillende stemmen in besluitvorming te krijgen. Juist omdat homogene groepen sneller elkaars aannames bevestigen en alternatieven missen. Maar generatieve AI introduceert iets interessants: één vraag levert vaak één overtuigend geformuleerd antwoord op. Dat kan gemakkelijk de indruk wekken dat er een beste of objectieve uitkomst is.

Aan de muur van je organisatie hangt dan misschien dat verschillende perspectieven waardevol zijn, maar in het dagelijkse werk wordt de gewoonte ongemerkt om één antwoord als vertrekpunt te nemen, in plaats van actief meerdere interpretaties te onderzoeken.

Daar zit een risico. AI is immers gebaseerd op bestaande data en bestaande patronen. Het is daardoor in zekere zin inherent conserverend: het voorspelt wat waarschijnlijk is op basis van wat al geweest is. Dat maakt het krachtig, maar ook beperkend. Mensen kunnen juist iets doen wat buiten die bestaande patronen valt.

Op het Nordic Business Forum werd dat duidelijk in het verhaal van Nando Parrado, die de vliegtuigcrash in de Andes in 1972 overleefde. Terloops merkte hij op dat als hij destijds een AI-systeem had gevraagd wat hun overlevingskansen waren, het waarschijnlijk had geconcludeerd dat ze al voor dood waren opgeschreven. Toch overleefden ze, omdat mensen in staat zijn uitzonderlijke dingen te doen. Ook buiten wat statistisch waarschijnlijk lijkt.

Dat is precies wat je niet kwijt wilt raken: menselijke creativiteit en vindingrijkheid. AI kan patronen herkennen, enorme hoeveelheden informatie verwerken en routinetaken razendsnel uitvoeren. Gebruik die kracht dan vooral om mensen meer tijd te geven voor datgene waarin zij juist waarde toevoegen: nieuwe verbanden leggen, experimenteren, iets proberen wat nog niet eerder is gedaan en oplossingen bedenken die niet vanzelf uit bestaande data volgen.

De gewonnen tijd wil je dan dus teruggeven in de vorm van contact met anderen, reflectie en momenten waarop het brein even niet continu wordt belast. Juist daar ontstaan nieuwe inzichten en betere afwegingen. De echte belofte van AI is dan niet dat mensen minder hoeven na te denken, maar dat ze meer tijd krijgen voor het soort denken, verbinden en beslissen dat alleen maar belangrijker wordt.

 

Wat vertelt AI-gebruik over de psychologische veiligheid in je organisatie?

 

AI kan ook iets zichtbaar maken over de psychologische veiligheid in een organisatie. Amy Edmondson en Jayshree Seth beschrijven in een recent artikel in Harvard Business Review dat AI op dit moment een bijzonder, maar waarschijnlijk tijdelijk, voordeel heeft: mensen ervaren AI vaak nog als een relatief neutrale boodschapper. Naarmate AI steeds meer onderdeel wordt van organisaties, verwachten zij dat die gepercipieerde neutraliteit afneemt.

In organisaties zie je dan soms dat werknemers AI gebruiken om een zorg of tegenargument te formuleren dat zij zelf niet rechtstreeks durven uitspreken. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren omdat iemand junior is, minder status heeft of in een tweede taal werkt. AI kan dan helpen om een argument scherper en neutraler te formuleren en zo de drempel om het in te brengen te verlagen. Edmondson en Seth vergelijken dit met situaties waarin werknemers in het verleden op eigen initiatief een anonieme enquête opzetten: zo krijg je niet alleen zicht op wat mensen denken, maar ook op het feit dat zij het blijkbaar niet rechtstreeks durfden te zeggen.

AI is daarmee geen oplossing voor een onveilige cultuur, maar kan juist een signaal ervan zijn. Als werknemers de technologie nodig hebben om iets te zeggen wat ze zelf niet veilig genoeg vinden om rechtstreeks in te brengen, vertelt dat iets over de cultuur. Let dus op de manier waarop collega’s AI gebruiken in discussies en besluitvorming.

Tegelijkertijd zien Edmondson en Seth voor leiders een interessante mogelijkheid om de invloed van hun eigen positie enigszins te compenseren. Zij adviseren leiders bijvoorbeeld om AI bewust te vragen de sterkste tegenargumenten tegen hun eigen plannen te formuleren. Hiërarchie maakt mensen immers soms terughoudender om een leider rechtstreeks tegen te spreken.

Wij zouden dat idee nog een stap verder willen trekken. Niet alleen leiders, maar eigenlijk iedere werknemer kan AI bewust inzetten om het eigen denkwerk uit te dagen. Dat is juist belangrijk omdat veel chatbots van nature met je meepraten en makkelijk meegaan in de richting die je zelf al hebt ingezet.

Vraag daarom niet alleen om een antwoord, maar bijvoorbeeld: Welke blindspots heb ik? Welke aannames maak ik? Wat is het sterkste argument tegen mijn voorstel? Hoe zou iemand uit een andere discipline hiernaar kijken? Welke alternatieve verklaringen passen bij dezelfde data? Zo gebruik je AI niet om sneller bevestigd te worden in wat je al dacht, maar om je blik te verbreden. Dan verandert AI van consensusmachine in tegenspreker.

De interessante vraag is daarom niet alleen wat mensen met AI doen, maar ook waarom. Gebruiken ze het om hun denken te verbeteren, of om een gesprek te vermijden dat eigenlijk tussen mensen gevoerd zou moeten worden? Uiteindelijk blijft dat menselijke gesprek noodzakelijk. AI kan mogelijke bezwaren zichtbaar maken, maar alleen mensen kunnen vertellen wat er werkelijk in een team leeft. De volgorde die Edmondson en Seth adviseren is daarom veelzeggend: denk met AI, luister vervolgens naar mensen en neem daarna pas een besluit.

 

Hoe ontwikkelt jong talent zich nog?

 

Een laatste risico zit in de ontwikkeling van expertise. Juist de taken die het gemakkelijkst door AI over te nemen zijn, vormden traditioneel vaak de leerschool voor jonge werknemers. Door veel relatief eenvoudig werk te doen, leren zij niet alleen de regels van het vak, maar ontwikkelen ze ook ervaring, intuïtie en gevoel voor uitzonderingen. Tegelijk nemen ze de impliciete cultuur van hun organisatie over: wat vinden we hier belangrijk, wanneer remmen we af en wat verstaan we onder goed professioneel handelen?

Dat is belangrijk, omdat veel kennis in organisaties helemaal niet formeel is vastgelegd. Procedures vertellen wat iemand moet doen, maar ervaren werknemers weten ook waar ze op moeten letten, wanneer iets niet klopt en wanneer het verstandig is om te vertragen. Precies die impliciete kennis staat vaak niet in de systemen waarop AI zich baseert.

Econoom K. Sudhir geeft een voorbeeld uit de financiële sector. Voor junioren bij banken bestond de leerschool traditioneel onder meer uit het langdurig beoordelen van lening aanvragen. Daarmee leerden zij niet alleen de techniek, maar ook wanneer een dossier ondanks alle formele criteria toch extra aandacht vroeg. Als AI dat werk overneemt, moet je dus ook die leerschool opnieuw ontwerpen. Laat junioren bijvoorbeeld AI-beslissingen controleren, bewust zoeken naar fouten en uitzonderingen en met ervaren collega’s bespreken waarom zij in bepaalde gevallen zouden vertragen of afwijken. Zo kan het beoordelen en bijsturen van AI zelf een nieuwe oefenplek worden.

Daarmee voorkom je ook een paradox van AI-automatisering: op korte termijn heb je minder junior capaciteit nodig, maar op lange termijn dreigt je eigen voorraad senior expertise daarmee op te drogen. Je moet blijven investeren in mensen die later genoeg vakkennis, ervaring en normbesef hebben opgebouwd om door te groeien naar senior rollen en daar goed professioneel oordeel te kunnen vormen. De vraag vóór AI-automatisering is daarom: hoe leren mensen nu het professionele oordeel dat we later van onze senioren verwachten? Als het antwoord is: door precies dit werk veelvuldig te doen, dan moet je eerst een nieuwe leerlijn ontwerpen voordat je het volledig aan AI overdraagt.

Conclusie

De discussie over AI wordt nog vaak gevoerd alsof we moeten kiezen tussen twee kampen. Voor of tegen. Optimist of pessimist. Mens of machine. Wij scharen onszelf in het technologie-optimistische kamp, juist omdat we willen focussen op de kansen die AI biedt om mensen daadwerkelijk te helpen.

Daarmee is AI uiteindelijk ook een cultuurvraagstuk. Iedere toepassing maakt bepaald gedrag gemakkelijker en ander gedrag minder vanzelfsprekend. De kunst is dus niet om te hopen dat je cultuur overeind blijft terwijl je AI invoert, maar om je cultuur als vertrekpunt te nemen voor de manier waarop je AI inzet. Niet beginnen bij wat de technologie kan, maar bij wat je als organisatie wilt versterken.

 

 

Teambuilding Boom

 

Hoe houd je de samenwerking leuk en verbonden als het halve kantoor met vakantie is en vaste contactmomenten wegvallen?

Juist in rustige zomerweken merk je hoe afhankelijk een team kan zijn van georganiseerde momenten, zoals lunches, borrels en uitjes. En hoe snel verbinding kan afnemen als die momenten er ineens niet meer zijn.

Een mooie gelegenheid dus om te bouwen aan verbinding in de samenwerking zelf, met kleine micromomenten tussendoor.

In dit artikel lees je hoe je zulke micromomenten bewust onderdeel maakt van je dagelijkse routine. Zodat juist nu er lege plekken zijn, de mensen die er wél zijn zich gezien, gewaardeerd en betrokken voelen.

Dit artikel is onderdeel van de Boom Management zomerserie: Zomerse reflecties. Benieuwd wat andere auteurs schreven? Elke week verschijnen enkele artikelen van Boom auteurs met hun reflecties op de zomer. En de verhalen zijn alvast gebundeld in een whitepaper. Die kun je hier downloaden >>>

 

We waren uitgenodigd bij Glenn van der Burg om op New Business Radio de vraag te onderzoeken: ‘Wat bepaalt of mensen zich thuis voelen op hun werk?’ Het werd een leuk gesprek dat jou ook kan helpen om erachter te komen wat wij nou precies bedoelen met onze ‘micromomenten’. Glenn voegde op hun website een AI-samenvatting toe over wat we bespraken. Die samenvatting kun je hieronder ook vinden.

 

 

Samenvatting van deze aflevering

Wat bepaalt of mensen zich thuis voelen op hun werk? We zoeken het vaak in grote dingen: een teamdag, een training, een nieuwe kernwaarde aan de muur. Emmalotte Smit en Esther Mollema ontdekten dat het verschil ergens anders zit. In kleine momenten. Een blik. Een vraag. Een zin die zegt: ik zie jou.

Waarom grote interventies niet werken

55% van alle werknemers zegt dat hun team niet bijdraagt aan hun geluk. Ze werken met geen slechte mensen, maar die collega’s doen niets voor hen. Organisaties beleggen problemen zoals ziekteverzuim of gebrek aan verbinding vaak bij een speciaal projectteam of bij leidinggevenden. Er komen dure bedrijfsfeesten of trainingsprogramma’s. Maar drie dagen na zo’n dopaminemomentje, als jouw leidinggevende vervelend tegen je doet in een overleg, ben je dat leuke feest alweer vergeten.

‘We zoeken het vaak in grote dingen: een teamdag, een training, een nieuwe kernwaarde aan de muur. En dan blijkt dat thuisgevoel toch nog uit te blijven,’ zegt Esther Mollema.

Het probleem: we maken het te groot en leggen het te vaak neer bij één persoon of één moment. Terwijl verbinding juist dagelijks, in het kleine, tussen mensen gebeurt.

Wat zijn micromomenten en hoe werken ze?

Micromomenten zijn kleine signalen van 30 seconden die anderen vertellen: je doet ertoe, je hoort erbij, jij bent belangrijk. Een compliment. Een vraag. Iemand terugbrengen naar zijn punt nadat hij onderbroken werd. ‘Hoe is het echt met je?’ vragen en dan ook willen luisteren. Het kost niks, alleen een klein beetje energie, maar levert veel op.

‘Je kan echt in je eentje een revolutie beginnen. Mensen zijn heel afhankelijk van elkaar,’ zegt Esther Mollema.

Waarom werkt dit? Omdat verbinding evolutionair cruciaal is voor ons overleven. Als je je gerespecteerd en gewaardeerd voelt in jouw groep, heb je 25% meer energie. High-performance organisaties zeggen 8% meer tegen elkaar—ze durven te bevragen, twijfel uit te spreken, een slecht rapport stop te zetten. Die verbinding ontstaat door micromomenten, niet door jaarlijkse teamdagen.

Vriendelijkheid verspreidt zich. Onderzoek toont: mensen geven twee keer zo vaak voorrang als ze zelf voorrang hebben gekregen. In de Zweedse gezondheidszorg werden patiënten sneller beter als ze voelden dat hun verzorger iets extra’s deed—een klein bloemetje, een extra glaasje sap. Zo simpel kan het zijn.

Hoe maak je er een gewoonte van?

30 tot 50% van jouw karaktereigenschappen zijn bepaald door DNA. De rest is ruimte voor gewoontevorming. Maar hoe zorg je dat goede intenties omslaan in gedrag? Door drie elementen te combineren: een moment, een actie en een viering.

Kies bijvoorbeeld: elke keer als iemand onderbroken wordt in een vergadering, ga ik terug naar het punt dat diegene wilde maken. Dat is het moment (iemand wordt onderbroken) en de actie (terugbrengen). Het derde element is cruciaal: vier het. Bal je vuist onder tafel, glimlach, zing een refrein in je hoofd. Dat schept dopamine in je brein en maakt dat je het opnieuw wilt doen. Zo ontstaat een gewoonte.

Belangrijk: kies zelf wat bij jou past. Niet wat een training of een manager je oplegt. Als complimenten geven niet bij je past, doe dan iets anders—stel vragen, geef ruimte, bevestig iemands inbreng. Zolang het jouw manier is om verbinding te maken.

Onderzoek van Arizona State University laat zien wat er gebeurt als 62 mensen drie maanden met inclusieve gewoontes aan de slag gaan: 50% meer inclusie, 40% meer waardering, 38% minder stress, 53% meer energie. Niemand maakte er een programma van. Ze gingen gewoon doen.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

Je kunt verbinding niet wegorganiseren. Je kunt het niet beleggen bij HR of bij één manager. Elk teamlid kan vandaag beginnen. Zonder toestemming. Zonder budget. Zonder tijd. Dat maakt micromomenten krachtig—en voor sommigen misschien ongemakkelijk. Want dan kan je het niet meer uitbesteden aan een ander.

Denk aan de jonge professional die net begint. Die neemt vaak de bestaande cultuur over. Maar je kunt ook vanaf dag één zeggen: daar doe ik niet aan mee. Ik geef wel complimenten. Ik spreek ook met mensen een echelon lager. Ik vraag door. Kleine keuzes die grote impact hebben—niet alleen op anderen, maar ook op jouw eigen werkgeluk.

Drie inzichten voor leidinggevenden

  • Stop met wachten op grote interventies. Thuisgevoel ontstaat uit dagelijkse kleine momenten, niet uit jaarlijkse teamdagen of trainingen die niet beklijven.
  • Maak van verbinding een gewoonte door een moment, een actie en een viering te koppelen. Vier het als het lukt—dat maakt dat je brein het opnieuw wil doen.
  • Geef eigenaarschap niet weg. Elk teamlid kan vandaag beginnen met micromomenten. Zonder toestemming. Zonder budget. Dat maakt cultuurverandering mogelijk van onderaf.

Veelgestelde vragen

Waarom gaan trainingen over verbinding niet over in daadwerkelijk gedrag op de werkvloer?

Omdat trainingen inspiratie geven maar geen gewoontes creëren. Bewustwording slaat pas om in actie als je het koppelt aan concrete momenten en het viert wanneer het lukt. Anders blijft het een goed voornemen.

 

Wat is het verschil tussen een micromoment en oppervlakkige beleefdheid?

Oppervlakkige beleefdheid volgt een script. Een micromoment komt voort uit echte interesse en aandacht voor de ander. Het is niet gemeend als je het vanuit een checklist doet, maar wel als je zelf kiest wat bij je past en waar jouw team baat bij heeft.

 

Hoe zorg je dat micromomenten niet kunstmatig of gemanipuleerd voelen?

Door ze zelf te kiezen in plaats van opgelegd te krijgen. Kies wat bij jou past—complimenten, vragen stellen, ruimte geven. Doe het omdat je in een fijn team wilt werken, niet om brownie points te verzamelen.

 

Kan iedereen dit leren of zijn sommigen geboren attentievere mensen?

30 tot 50% van karaktereigenschappen is bepaald door DNA, maar de rest is ruimte voor gewoontevorming. Iedereen kan micromomenten leren door bewust momenten te kiezen en het gedrag te vieren tot het een gewoonte wordt.

 

Hoeveel micromomenten per dag moet ik geven om effect te hebben?

Ongeveer drie per dag is een goed uitgangspunt. Maar het gaat niet om kwantiteit—het gaat erom dat je het volhoudt en dat het een gewoonte wordt. Begin klein en bouw op.

Je vindt de website van People Power hier. 

Hebben vrouwen wel genoeg ambitie? Volgens Esther Mollema is dat de verkeerde vraag.

Waarom stromen vrouwen nog steeds minder vaak door naar leidinggevende functies, terwijl hun ambities net zo groot zijn als die van mannen? In dit interview legt Esther Mollema uit hoe onbewuste vooroordelen ervoor zorgen dat dezelfde ambitie anders wordt geïnterpreteerd. Ze laat zien waarom vrouwen vaker feedback krijgen op hun persoonlijkheid dan op hun prestaties, hoe organisaties potentieel eerlijker kunnen beoordelen en waarom leiderschap vraagt om zowel daring als caring. Een artikel over de onzichtbare mechanismen achter carrièrekansen én wat organisaties kunnen doen om ze te doorbreken.

 

Dit is de preview die we voor Managementboek.nl schreven voor ons boek ‘Micromomenten’. Daar lees je waarom de sleutel tot een sterke teamcultuur niet ligt in grote plannen, maar in kleine momenten die vaak ongemerkt voorbijgaan. We verkennen hoe dagelijkse interacties tussen collega’s bepalen of mensen zich welkom, gehoord en gewaardeerd voelen, en hoe juist die momenten duurzame verandering in gang kunnen zetten.

 
 
Afbeelding: HBR/ Getty Images 

Volgende week kleuren voor één maand organisatieprofielfoto’s in alle tinten tussen rood en paars, worden agenda’s geblokt met trainingssessies en worden er een nieuwe ronde aan regenboogkeychains uitgedeeld. Er is hard gestreden voor deze maand van erkenning voor de LGBTQIA+-gemeenschap op de werkvloer. Waarom zouden wij daar dan iets op tegen hebben?

Juist wij benadrukken namelijk hoe belangrijk het is dat mensen zich gewaardeerd voelen, en dat organisaties daar actief aan bijdragen. Ons brein is voortdurend op zoek naar dat soort signalen, vaak nog meer dan we zelf doorhebben. Als je wilt dat mensen optimaal presteren, moeten ze het gevoel hebben dat ze erbij horen. Maar juist in die zoektocht blijkt timing ertoe te doen.

Uit onderzoek begrijpen we steeds beter hoe je die noodzakelijke verbinding met werknemers, en met elkaar, echt aangaat. En daarin blijkt een themamaand vaak tekort te schieten. Juist omdat de signalen in die maand zo geconcentreerd en overvloedig zijn, komen ze minder authentiek over bij de mensen voor wie ze bedoeld zijn. Ze voelen minder als oprechte aandacht en meer als iets dat van een checklist wordt afgevinkt. Zo dragen ze niet automatisch bij aan een sterker gevoel van betrokkenheid of aan een sterkere toewijding richting de organisatie.

Dat raakt aan een fenomeen dat wij in ons boek Micromomenten beschrijven: de neiging van organisaties om verbinding te willen vangen in ‘macromomenten’. Denk aan themadagen, -weken of -maanden. Aan trainingen, borrels, kerstdiners. Aan kantoorkelders waar tafeltennistafels verschijnen en gangen die worden gevuld met portretreeksen van medewerkers: van stagiair tot CEO. Allemaal manieren om te laten zien dat organisaties al hun werknemers belangrijk vinden en dat er ruimte is voor verbinding en ontmoeting.

Die initiatieven hebben absoluut waarde. Maar bouwen op zulke macromomenten heeft ook iets verraderlijks. Ze laten ons geloven dat je verbinding kunt organiseren als een reeks geplande momenten in je agenda, of door grote signalen op de gang te plaatsen. Alsof verbinding iets is wat je kunt afdwingen door iets aan te kopen of af te strepen. Alleen hebben zulke macromomenten op zichzelf staand zelden een langdurig effect. Tafeltennistafels en regenbogen op de vloer verliezen hun effect naarmate je er vaker langsloopt en het verloop van een themamaand valt uit te dromen als je al eventjes meedraait.

Mensen kunnen zich, in het geval van Pride Month, wel herkennen in uitingen van hun organisatie en zich best even gezien voelen. Maar dat moment is vluchtig. Uiteindelijk wordt het gevoel van erkenning bepaald door wat er daarna gebeurt in de dagelijkse samenwerking zelf. Die training van een tijdje geleden, of die portretgalerij waar je net langsliep, zegt weinig over of er in vergaderingen naar ieders stem wordt geluisterd en of bepaalde perspectieven structureel minder ruimte krijgen. Een signaal op de gang maakt dus maar weinig verschil als de bijbehorende micromomenten — kleine, herhaalde acties — ontbreken.

Sterker nog, wanneer zo’n zichtbaar gebaar niet wordt ondersteund door concreet gedrag of beleid, kan het effect zelfs omslaan. Medewerkers krijgen dan het gevoel dat de organisatie diversiteit wel wil laten zien, maar niet echt leeft. Dat organisaties liever energie steken in de indruk dat iedereen zich al welkom voelt, dan in het structurele werk dat nodig is om die cultuur daadwerkelijk te creëren.

Grote gebaren, bijvoorbeeld rond Pride, stellen scannende breinen misschien even gerust, maar zijn vaak ook een luie oplossing. Erkenning werkt in ons brein namelijk niet in pieken, maar in patronen. Ze ontstaat niet door wat er af en toe gebeurt, maar door wat zich herhaalt. Niet in wat er op de muur hangt of in wat er één keer wordt uitgesproken. Ze zit in hoe mensen elkaar dagelijks benaderen: in wie wordt aangekeken, wie wordt betrokken, wie wordt gehoord en wie wordt ondersteund op momenten dat het ertoe doet.

Zo kunnen macromomenten bijvoorbeeld een gevoel van uitsluiting tijdens het werk niet goedmaken. Wie zich buitengesloten voelt, raakt daar meestal niet van overtuigd door een incident, maar door een opeenstapeling van kleine momenten. Een groot gebaar, hoe goed bedoeld ook, doorbreekt dat patroon zelden. Herstel vraagt daarom niet om één indrukwekkende gebeurtenis (zoals een training of een kantoor vol regenboogsymboliek) maar om herhaalde signalen van collega’s die samen een nieuw verhaal vertellen.

De trainingen tijdens Pride Month zijn weliswaar een waardevol begin. Ze dragen bij aan bewustwording en kunnen een basis leggen voor allyship in de rest van het jaar. Toch merken we dat, wanneer we kritisch kijken naar hoe inclusie in deze maand wordt benaderd — in posts, in de media en binnen organisaties — de focus vaak blijft hangen bij bewustwording. En dat is niet genoeg.

Het gaat te weinig over gedrag dat mensen daadwerkelijk kunnen overnemen. Niet alleen leiders, maar juist collega’s onderling: de mensen die dagelijks met elkaar samenwerken en elkaars werk- en sociale ervaring vormgeven. Worden zij al getraind, dan ligt de nadruk nog vaak op wat je vooral niet moet doen. Maar dat laat lijken dat bij de afwezigheid van exclusie automatisch inclusie ontstaat. Dat als je de vervelende opmerkingen weghaalt, het automatisch voelt alsof je erbij hoort. Maar zo werkt het niet. Inclusie vraagt om actief gedrag. Om kleine signalen die je steeds opnieuw afgeeft.

Ons brein blijft namelijk zoeken: hoor ik erbij, of niet? Daar moet je elke dag opnieuw een antwoord op geven. Denk bijvoorbeeld aan hoe het is om gefeliciteerd te worden op je verjaardag, door je organisatie of door collega’s. Dat voelt goed en creëert een fijn moment. Maar het vervangt geen echte, doorlopende relatie. Je bouwt geen diepe connectie op met iemand alleen omdat diegene je één keer per jaar feliciteert. Dat doe je ook niet met je queer werknemers door ze eens per jaar in het zonnetje te zetten.

Aan de slag

Voor organisaties:
Verspreid je initiatieven meer over het jaar. Zo worden ze beter ontvangen en blijft de inhoud beter hangen. Betrek queer medewerkers actief bij de keuzes die worden gemaakt rondom deze initiatieven. Waarom zou je keuzes voor hen maken als zij zelf hun perspectief te delen hebben?

Zorg er daarnaast voor dat elke training of sessie eindigt met een vertaalslag naar gedrag: wat betekent dit concreet voor morgen? Welke kleine acties kunnen mensen direct toepassen? Laat het daar niet bij een eenmalig moment, maar ga echt het proces met je werknemers aan. Daarbij kunnen micromomenten helpen om die vertaalslag praktisch en haalbaar te maken.

Voor collega’s:
Weet dat goede intenties niet het eindpunt zijn. Je wilt niet blijven hangen in willen, maar doorgaan naar doen. Vaak zit het verschil in iets kleins: een vraag stellen, iemand expliciet betrekken, een vooroordeel voorzichtig bevragen of opkomen voor iemand die zelf niet in de ruimte is. Je bent vaak maar één zin verwijderd van iemand meer ruimte geven. Dat voelt misschien spannend. Maar juist in die kleine momenten ligt de sleutel tot echte verbinding. Met micromomenten maak je die verbinding niet alleen belangrijk, maar ook uitvoerbaar, elke dag opnieuw.

 

Esther Mollema Caring Daring

 

 

Dit artikel is een update van twee eerder geschreven blogs over hetzelfde onderwerp. In dit artikel kijken hoe het komt dat daring leiders de vele transformaties in organisaties niet kunnen waarmaken en hoe je caring leiderschap via micromomenten kunt trainen. 

Goed leiderschap wordt vaak beschreven in termen van stijlen, competenties en modellen. In de praktijk zie ik echter iets veel eenvoudigers terugkomen: leiders die effectief zijn, staan stevig op twee benen.

Die twee benen noem ik daring en caring. Ze vormen samen de basis van goed leiderschap. Het zijn geen losse kwaliteiten waar je uit kunt kiezen, maar twee met elkaar verbonden taken. De ene kan niet zonder de ander. Pas in samenhang zorgen ze ervoor dat leiders vooruitgang boeken en duurzame resultaten realiseren in teams en organisaties.

Leiderschap op twee benen

Het ene been staat voor wat ik de daring-kant van leiderschap noem: het vermogen om richting te geven, besluiten te nemen en verantwoordelijkheid te dragen voor het gezamenlijke resultaat. Daring leiderschap betekent dat je de formele macht die je in je rol hebt gekregen bewust inzet om het werk vooruit te helpen. Met dit been zorg je als leider voor duidelijkheid, focus en tempo. Je maakt helder wat belangrijk is, welke keuzes gemaakt worden en wat er van mensen verwacht wordt. Je voorkomt dat onderwerpen blijven zweven, spreekt aan waar het beter moet en zorgt dat afspraken niet alleen worden gemaakt, maar ook worden opgevolgd.  Natuurlijk bespreek je veel met het team en luister je naar verschillende perspectieven. Maar leiderschap vraagt ook dat je op tijd knopen doorhakt. Niet eindeloos blijven overleggen, maar helderheid bieden over wat wel en niet gebeurt. Want onduidelijkheid voelt soms vriendelijk, maar zorgt in de praktijk vaak voor vertraging, frustratie en gedoe.

Het andere been staat voor de caring-kant van leiderschap: het vermogen om aandacht te hebben voor mensen, hun ontwikkeling en de kwaliteit van de samenwerking. Caring leiderschap betekent dat je niet alleen kijkt naar wat er moet gebeuren, maar ook naar wat mensen nodig hebben om goed bij te dragen. Met dit been creëer je als leider een omgeving waarin teamleden kunnen groeien, leren en hun perspectief durven delen. Je luistert actief, stelt vragen, coacht waar nodig en helpt mensen om hun talenten verder te ontwikkelen. Daardoor ontstaat een manier van samenwerken waarin mensen zich gezien voelen, elkaar versterken en makkelijker van elkaar leren.  Die aandacht voor het menselijke aspect maakt besluiten uiteindelijk beter. Niet omdat elk gevoel leidend moet zijn, maar omdat goede besluiten ook vragen om inzicht in wat er bij mensen speelt. Welke zorgen leven er? Welke kennis blijft nog onuitgesproken? Wie kijkt er vanuit een ander perspectief naar het probleem?

Het model van deze twee benen ontstond bij mij in 2022, met dank aan Joy Lodarmasse van Alliander, die de metafoor aandroeg. Inmiddels wordt het door veel organisaties en coaches gebruikt, juist omdat het in één beeld duidelijk maakt wat goed leiderschap vraagt: geen keuze tussen caring en daring, maar het ontwikkelen van beide kwaliteiten in samenhang.

In de praktijk zien we echter dat veel leiders vooral één van beide benen ontwikkelen. Vaak is dat het gedrag waarmee ze in eerste instantie succesvol zijn geworden. De leider die goed is in verbinden, blijft zorgen en afstemmen. De leider die sterk is in richting geven, blijft duwen en besluiten nemen. Wat eerst een kracht was, wordt dan op termijn een beperking.

Goed leiderschap vraagt daarom niet alleen om sterker worden in wat je al kunt, maar ook om het ontwikkelen van het been dat minder vanzelfsprekend voelt. Juist daar ontstaat balans.

Beide benen in de praktijk

De afgelopen jaren is mijn overtuiging alleen maar sterker geworden: organisaties sturen nog altijd te weinig op caring leiderschap, terwijl de druk op leiders groter is dan ooit. Lange tijd zijn leiders vooral geselecteerd en beloond op hun daring-kwaliteiten: richting geven, beslissen en resultaten behalen. In veel organisaties zien we daarom senior leiders die hier goed in zijn. Zij ontwikkelen strategie, brengen focus aan en zorgen voor tempo. Dat heeft organisaties veel opgeleverd en lange tijd leek dit ook dé route naar succes.

Tegelijkertijd ontstaat daar nu een steeds zichtbaarder probleem. Juist deze groep leiders heeft vaak moeite om grote veranderingen daadwerkelijk te laten slagen.[1] Niet omdat de plannen niet kloppen, maar omdat er onvoldoende zicht is op wat er gebeurt bij de mensen die deze plannen moeten uitvoeren.

Onderzoek laat al jaren zien dat een groot deel van de organisatieveranderingen mislukt of achterblijft bij de verwachtingen. De oorzaak ligt zelden in de strategie zelf, maar veel vaker in de manier waarop mensen worden meegenomen. Of preciezer: in de mate waarin leiders begrijpen wat er speelt onder de oppervlakte. Daring leiders hebben vaak oprecht het gevoel dat het goed gaat. De richting is helder, de planning staat en de doelen zijn duidelijk. Maar twijfel, onzekerheid of weerstand worden niet altijd uitgesproken. En wat niet wordt uitgesproken, wordt al snel geïnterpreteerd als er niet zijn. Stilte is geen instemming Juist daar gaat het mis. Wat voor leiders voelt als ‘stilte’ of ‘instemming’, is in werkelijkheid vaak terughoudendheid, onduidelijkheid of een gebrek aan veiligheid om het uit te spreken. Signalen die cruciaal zijn voor het slagen van een verandering blijven daardoor onzichtbaar.

In organisaties waar meerdere veranderingen tegelijk spelen, en dat zijn er veel, wordt deze kloof alleen maar groter. Het verschil tussen leiders die sterk zijn in richting geven en het ontbreken van aandacht voor wat er bij mensen speelt, wordt daar steeds voelbaarder.

De denkfout van een generatie daring leiders

Een belangrijk deel van dit probleem ligt in hoe we leiderschap lange tijd hebben ingevuld. Caring werd vaak gezien als iets extra’s: een teamuitje, een inspirerende speech of een moment van aandacht op gezette tijden. Geen kernonderdeel van leiderschap, maar iets voor erbij.

Daar komt bij dat daring leiders in Nederland opereren in een specifieke culturele context. We communiceren relatief direct en expliciet. Wat niet wordt gezegd, lijkt er al snel niet te zijn. Maar precies daar zit de denkfout. In veel situaties wordt wat mensen echt denken of voelen juist níet direct uitgesproken. Niet omdat het er niet is, maar omdat het spannend is, omdat de context er niet veilig genoeg voor voelt, of omdat mensen hun woorden nog niet scherp hebben.

Leiders die sterk leunen op daring, missen deze laag sneller. Ze luisteren vooral naar wat er gezegd wordt, terwijl een groot deel van de informatie juist zit in wat níet wordt uitgesproken. [2] In meer groepsgerichte en caring culturen zijn leiders vaak meer gewend om tussen de regels door te luisteren en subtiele signalen op te vangen. Juist dat vermogen wordt in complexe veranderingen steeds belangrijker.

Wat niet wordt gezegd, bepaalt wat er gebeurt

Wanneer bezwaren niet worden uitgesproken, bestaan ze voor anderen vaak ook niet, zeker niet voor leiders die sterk gericht zijn op resultaat. Tegelijkertijd schuilt juist in die onuitgesproken signalen waardevolle informatie.

Verbinding zit in de micromomenten

Verbinding ontstaat niet door grote, zichtbare gebaren, maar in wat er dagelijks tussen mensen gebeurt. In kleine, subtiele signalen tijdens interacties. Vaak begint dat bij een leider die zichzelf laat zien, die durft te vertragen en zich kwetsbaar en lerend opstelt.

Caring leiders handelen vanuit het besef dat mensen beter presteren wanneer zij zich gezien, gehoord en gewaardeerd voelen. Niet als een extraatje, maar als een voorwaarde om goed werk te kunnen leveren. In teams zijn mensen voortdurend, vaak zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, op zoek naar signalen die bevestigen dat zij erbij horen en dat hun bijdrage ertoe doet. Die zoektocht stopt niet na één goed gesprek, maar keert steeds terug in het dagelijks werk.

Die behoefte aan verbinding is diep verankerd in ons menselijk systeem. We hebben geen pantser of klauwen. Onze overlevingskracht ligt in samenwerking. Alleen waren we kwetsbaar, samen hadden we een kans. Die logica werkt nog steeds door in hoe ons brein reageert, ook in een moderne werkomgeving.

Micromomenten: waar het verschil wordt gemaakt

Caring leiderschap wordt zichtbaar in wat we micromomenten noemen: kleine, vaak vluchtige interacties die zich gedurende de dag herhalen en die een groot effect hebben op de kwaliteit van samenwerking. Het gaat om momenten waarin iemand zich gezien voelt, waarin er echt geluisterd wordt, waarin ruimte ontstaat voor een ander perspectief of waarin iets wordt benoemd wat nog niet expliciet is gemaakt.

Juist omdat deze momenten zo klein en alledaags zijn, worden ze gemakkelijk over het hoofd gezien. Ze staan niet in planningen, vragen geen extra middelen en worden zelden expliciet geëvalueerd. Toch bepalen ze in sterke mate hoe veilig, betrokken en energiek een team functioneert. Wanneer deze micromomenten aanwezig zijn, ontstaat er een andere dynamiek. Mensen spreken zich uit, brengen ideeën in en nemen verantwoordelijkheid. Wanneer ze ontbreken, ontstaat juist terughoudendheid en afstand.

Het verschil zit vaak in ogenschijnlijk kleine keuzes: een vraag die wel of niet wordt gesteld, een reactie die wel of niet wordt gegeven, of het moment waarop een leider besluit om even stil te staan in plaats van door te gaan. Caring leiderschap is daarmee geen ‘zachte’ aanvulling, maar een essentieel onderdeel van effectief leiderschap.

Daring opnieuw bekeken

Het belang van caring betekent niet dat het daring-been minder belangrijk wordt. Integendeel, juist in tijden van verandering is het noodzakelijk dat leiders richting geven, keuzes maken en zorgen voor voortgang. Zonder die duidelijkheid ontstaat onzekerheid en vertraging. Tegelijkertijd is het in een context van voortdurende verandering niet langer voldoende om alleen sterk te zijn in analyseren en besluiten nemen. Evenmin is caring leiderschap op zichzelf genoeg.

De uitdaging ligt in het ontwikkelen van beide kwaliteiten in samenhang. Wanneer daring en caring elkaar versterken, ontstaat leiderschap dat zowel richting geeft als verbindt. Dat duidelijkheid biedt én ruimte laat voor inbreng van anderen.

In de praktijk blijkt die balans lastig. Veel leiders ontwikkelen zich vooral op één van beide dimensies. Wat hen eerder succesvol maakte, kan hen later juist beperken.

Caring leiderschap ontwikkel je in de praktijk

Caring leiderschap laat zich moeilijk ontwikkelen via klassieke trainingen alleen. Kennis en bewustwording helpen, maar uiteindelijk ontstaat deze vorm van leiderschap in de dagelijkse interactie met anderen. Het vraagt om aandacht en oefening: luisteren naar wat er speelt, nieuwsgierig blijven en jezelf steeds opnieuw de vraag stellen wat de ander nodig heeft om verder te komen. Die ontwikkeling vindt niet alleen plaats op het werk, maar ook daarbuiten. In elke situatie waarin de keuze bestaat om wel of geen aandacht te geven. Het zijn juist die micromomenten waarin leiderschap vorm krijgt. Door ze te herkennen en er bewust aandacht aan te geven, ontstaan nieuwe gewoontes.

Op welk been sta jij?

Leiders die vooral sterk zijn in daring kunnen inhoudelijk zeer capabel zijn, en toch niet de leiders zijn die nodig zijn voor de transformaties waar organisaties nu voor staan.

De vraag die daarbij helpt is eenvoudig: op welk been steun jij vooral als leider? En hoe kijken de mensen om je heen daarnaar? De uitnodiging is om beide benen te ontwikkelen. Niet alleen in theorie, maar juist in de dagelijkse praktijk. In de vele kleine momenten waarin leiderschap zichtbaar wordt. De grote veranderingen waar organisaties voor staan, worden niet alleen gerealiseerd in strategieën en plannen, maar in gedrag. In hoe mensen samenwerken en hoe zij met elkaar omgaan. Leiders die leren om die momenten te zien en er bewust vorm aan te geven, bouwen stap voor stap aan teams die niet alleen beter presteren, maar ook veerkrachtiger zijn, meer energie ervaren en langer verbonden blijven.

 

[1] Fernandez, Jenny, When Senior Leaders Lack People Skills, Transformations Fail, Harvard Business Review, April 6, 2026

[2] Meyer, Erin, The Culture Map, 2019, business contact

 

 

Goede studie om op te reflecteren en met elkaar te bespreken:

Demografische cijfers liegen niet. Ongeacht of mensen een positieve of negatieve mening hebben over diversiteit en migratie: Nederland wordt hoe dan ook een land met veel meer diversiteit. Grote steden zijn al superdivers en dat zal zich steeds meer over heel Nederland verspreiden. Die cijfers zijn niet ‘een mening’, maar feiten die de toekomst van Nederland bepalen. De voormalige meerderheid, mensen zonder migratieachtergrond, krijgt stap voor stap een minderheidspositie.

 

Kijk je naar jongeren onder de vijftien, dan zie je het al gebeuren. In veel stadsdelen in grote steden is nog maar iets meer dan een derde ‘van Nederlandse afkomst’. Kinderen zonder migratieachtergrond worden een steeds kleinere groep. En toch hebben mensen zonder migratieachtergrond in veel wijken vaak nauwelijks gemengde vriendengroepen. Dat is niet alleen jammer of ongemakkelijk. Dat is ook strategisch onhandig als je het beste met jezelf en je kinderen voorhebt. Want niet omgaan met de mensen die op termijn de meerderheid vormen, geeft jou en je kinderen op termijn een achterstand. Je moet uiteindelijk kunnen functioneren in een superdiverse samenleving: op school, op het werk, in teams, in de publieke ruimte. Dus hierbij een waarschuwing aan de 7 vinkers onder ons: het einde van de zevenvinkers als automatische leiders nadert.

Niet omdat iemand ze weg wil hebben, maar omdat te veel zevenvinker te lang in hun eigen bubbel blijven. In een superdivers Nederland is leiderschap namelijk geen kwestie meer van ‘de norm’ vertegenwoordigen, maar van de norm kunnen loslaten. Wie alleen heeft geleerd te functioneren in een wereld van mensen die op hem lijken, mist straks iets cruciaals: interculturele vaardigheden, gevoeligheid voor verschil, en het vermogen om legitimiteit op te bouwen bij een team dat niet automatisch met je meebeweegt.

En dat is precies waar het wringt: we hebben lang gedacht dat nieuwkomers zich moesten aanpassen aan de witte meerderheid. Maar die ‘meerderheid’ wordt kleiner, en die aanname werkt straks simpelweg niet meer als basis voor hoe we samenleven en samenwerken. De vraag wordt niet: ‘hoe krijgen we anderen passend in ons systeem?’, maar: “hoe maken we systemen waarin meer mensen kunnen floreren?”

Wie dat niet kan, wordt minder effectief. In samenwerking, in innovatie, in het behouden van talent. En uiteindelijk ook in gezag: mensen volgen je minder vanzelf als ze zich niet in jouw wereld herkennen. In superdiverse organisaties werkt leiderschap alleen als je kunt aansluiten bij verschillende perspectieven, ervaringen en manieren van communiceren.

De beste tip aan Nederlanders is daarom heel concreet: zoek elkaar meer op. Ga meer om met andere culturen, en leer van elkaar. Niet in theorie, niet alleen via een training, maar in het echte leven. Wat je over andere culturen leert in intieme kring, via vrienden, collega’s, je partner, de ouders op het schoolplein, neem je ook mee naar organisaties en de publieke ruimte. Elkaar vaker opzoeken leidt tot gemengdere netwerken, en die netwerken zorgen weer voor werkvloeren waar verschil normaler wordt, in plaats van iets wat ‘spannend’ of ‘lastig’ is.

Dus de vraag is niet of diversiteit komt. Die is er al en neemt toe. De vraag is als je wit bent: ben jij, zijn je kinderen, en ben jij in je organisatie hier al echt mee bezig?

Het boek van Maurice Crul & Frans Lely vind je hier.

Esther Mollema Brightmine

 

Esther is geïnterviewd door Brightmine over haar visie op de HR-trends van 2026. Ze kijkt vooruit en ziet dat de toenemende veranderingen waar organisaties mee te maken hebben (en krijgen) alleen maar voor meer verbinding vraagt. Inclusie en diversiteit initiatieven stilletjes afbouwen is dus het domste wat organisaties kunnen doen om zich toekomstbestendig te maken. Zijn diversiteit en inclusie eigenlijk besmette woorden geworden? Waarom is het eigenlijk zo belangrijk dat we ons bewust worden van onze vooroordelen? Wat gebeurt er als je dat niet doet?  Lees het via deze link.

Lees hier de opening van het interview:

Diversiteit en inclusie waren de afgelopen jaar kernwoorden, maar lijken weggezakt in de belangstelling van organisaties. Noem D&I desnoods anders, maar D&I loslaten is het domste wat je kunt doen, zegt Esther Mollema.

Organisaties beter maken is het dagelijkse werk van Esther Mollema. Ze spart met bestuurders over nut en de noodzaak van meer diversiteit en inclusie in organisaties. Ze geeft trainingen over onbewuste vooroordelen en verzorgt lezingen waarin het denken wordt ‘aangezet’. Drie termen zijn in haar werk key: high performance, leiderschap, diversiteit & inclusie. ‘Dat is de driehoek waarin ik werk’, zegt ze. ‘Als je een high performance-organisatie wilt worden, kun je niet één daaruit weghalen. Je moet werken aan alle drie.’

Waarom zijn diversiteit en inclusie zo belangrijk?

‘Het betekent dat je als werkgever openstaat voor en nieuwsgierig bent naar andere perspectieven. En die heb je nodig. Bijna alle organisaties voelen de druk om hun innovatievermogen te versnellen. Ze hebben te maken met de energietransitie, klimaatuitdagingen en grote personeelstekorten. Organisaties moeten sneller verbeteren om nog te mogen meedoen. We kunnen verandering niet laten vertragen door leiders die verandering ongemakkelijk vinden en die eigenlijk alles het liefst zo houden als het is.’

‘Mensen die voelen dat ze erbij horen, hebben 35% meer energie om hun werk te doen, om net even wat langer op hun werk te blijven. Wie zich sociaal veilig voelt, bemoeit zich actiever met discussies. Die energie en motivatie gaan je business verder helpen. In een wereld waarin mensen verbondenheid missen, is dat enorm belangrijk. Mensen moeten zich ergens thuis kunnen voelen, dat geldt op het werk net zo goed.’

Maar wat betekent dat voor HR-beleid? Lees het in het interview met Brightmine.